radicaal ruimen

Na omvangrijke werkzaamheden van een opruimend karakter, men moet toch wat in de vreselijkste aller maanden, ben ik tot wat voorzichtige conclusies gekomen.

1. Er schuilt een hoarder in mij – zo blijk ik alle bioscoopkaartjes sinds 1992 en vrijwel alle concertkaartjes sinds 1990 bewaard te hebben. Alsmede concerttoelichtingen (de vroegste die ik hervond is van Kronos Kwartet (sic) tijdens het Holland Festival van 1992), antieke boekhoudjaren, brieven, kaarten, 3D-herinneringen (festivalbekertjes, festivalpolsbandjes) en wat dies meer zij.

2. Opruimen kan alleen maar rigoureus, dan maar met pijn in het hart en een vertwijfeld hoofd. Reeds vier winkelwagens papier reed ik naar de stortbak, onderwijl tegen mezelf prevelend: ‘alleen wat vreugde schenkt mag ditmaal blijven, Tchong’. Wat overbleef wordt nu gerangschikt op een schaal die loopt van ‘veelzeggend, iets mee doen’ tot ‘vergeten waarom’. Het is de bedoeling dat die laatste categorie uiteindelijk ook verdwijnt.

3. Radicaal ruimen is een effectief middel tegen januariblues.

Figuur 1: scherf van de gitaarhals van Steven Vinkenoog, gitarist van de Arnhemse groep Cromlech (s.a.).
Figuur 2: gebruikt drumstokje van Robert Ellis, drummer van P.J. Harvey (Effenaar, Eindhoven, circa 1992).

Advertenties

dream on, tchong

highrise-tom-hiddleston

Tom Hiddleston in High-Rise

Cineville is uiteraard geweldig, maar als heavy user viel me in 2016 wel meer dan ooit op hoeveel films, ook in die zogenaamde arthouse cinema, een formule afraffelen en vaak daarbij vergeten om met beelden te vertellen. Plotzucht heerst. De volgende films boden wel beelden die bij mij nog lang na bleven ijlen. Verder: alle lof aan de Filmkrant, die als laatste medium een film steevast weet uit te diepen door middel van besprekingen en interviews die verder gaan dan al die uitgebeende servicerubrieken (rond de vraag ‘gaan of niet gaan?’ of economisch geouwehoer over de franchise van Lucas en Rowling) in de reguliere media.

SPEELFILM

Our Little Sister (Hirokazu Kore-eda)

Er wordt wat afgekookt in deze film. Zet je Hollywoodplotverwachtingsmanager op 0 en dompel jezelf geheel onder in dit prachtige slice of life drama. Sasja Koetsier omschreef in een vlijmscherpe duiding voor de Filmkrant de werkwijze van Hirokazu Kore-eda als volgt: Zijn werkwijze doet denken aan een soort zeefdrukprocédé: in zijn films schetst hij de omtrekken van wat er niet meer is, als een sjabloon waarbinnen het afwezige opdoemt in zijn helderste vorm. (NB gezien op 27 december 2015, dus officieel niet in 2016)

The Red Turtle (Michaël Dudok de Wit)
Jarenlang werd er naar uit gezien, maar Dudok de Wits eerste film voor de Ghiblistudio voldeed aan al mijn verwachtingen en stelde geen seconde teleur. Is het een Zen meditatie op het leven of een speelfilm? De bezielde kern binnen het krakend schild van dit prachtige verhaal heeft me niet meer verlaten sinds ik de bioscoop uitliep. Een film die een letterlijk geestverruimende werking heeft.

Arrival (Dennis Villeneuve)
Onvergetelijke beelden (tip: lees geen enkele recensie vooraf voor een maximaal effect), een fenomenaal acterende Amy Adams in de hoofdrol die daarmee direct voelt als een uit het oog verloren hartsvriendin, en een bemoedigend relativerend (dus bevrijdend) scenario. Zelden zag ik zo’n emotionele en emotionerende science-fiction film. Vorig jaar kwam Sicario van dezelfde regisseur ook al maximaal binnen bij mij, maar dan op de nihilistische manier. Villeneuve maakt met deze twee extreem verschillende films wel heel nieuwsgierig naar zijn volgende worp.

El abrazo de la serpiente (Ciro Guerra)
Joseph Conrad-achtige afdalingen in de niet-westerse wereld, herstel: in de geest van de blanke man, zijn een cliché op zichzelf geworden, maar dat soort gedachten verdwenen al na enkele minuten doorgebracht te hebben in de beklemming van dit oerwoud. Met de grofste korrel, en het pijnlijk blakerende zwart/wit beweegt deze film de kijker naar een onafwendbaar noodlot. Een dodendans, zo in your face en letterlijk meeslepend dat ik mezelf betrapte op een haast fysieke ongemakkelijkheid.

High-Rise (Ben Wheatley)
Onder J.G. Ballard adepten brak er al voor de release een felle discussie uit over deze verfilming van diens roman uit 1975. In de kritiek kan ik me deels vinden: het script ontspoort meer dan gerechtvaardigd, zelfs bij dit verhaal dat grotendeels over neoliberale ontsporing gaat. Waar de roman op Houellebecqiaanse manier steekt, komt Ballards cultuurkritiek in deze filmversie misschien wel iets te mild over, alsof het louter een sosjaal krieties commentaar op die outlandish jaren zeventig wil zijn. Toch bleven heel wat beelden me nog wekenlang bestoken – meer dan bij menige andere film dit jaar. De intentie van Wheatley is dan weer wel goed op dreef met die van de schrijver: ‘Er is een kloof tussen diegenen die iets bezitten en diegenen die niets bezitten. Vandaag de dag lijkt er een soort consensus te bestaan dat je niet mag klagen over rijke mensen — dat zou onsportief zijn. Je mag hun succes niet bekritiseren. Terwijl ze ons tegelijkertijd beroven. Het is een merkwaardige tegenstelling.’ (filmkrant)

Toni Erdmann (Maren Ade)
In het documentaire, real life tempo van deze film ergerde ik me lange tijd net zo hartgrondig als de vrouwelijke hoofdpersoon aan deze vreselijk niet-grappige vader, die zijn dochter een blik voorbij het carrièrepad tracht te bieden. Maar vanaf het moment dat ik (door een schijnbaar achteloos gefilmde blik op haar rug!) het onzegbare verdriet tussen ouder en kind voelde had deze film mij te pakken. Sandra Hüller (en Amy Adams, voor Arrival) verdienen een Oscar.

I, Daniel Blake (Ken Loach)
Is dit een socialistisch pamflet uit de Pravda anno 1985 of een speelfilm die nu nog wat te zeggen heeft? Maar dwars door mijn ergernis met deze wel heel eenvoudige schema’s, in zowel de plot als in de karakters (nobele timmerman, gevallen vrouw – jezus was immers een socialist), sloeg Loach mij toch tamelijk onverwacht knock-out in de finale, en wel op zo’n manier dat ik de voorgeschiedenis van dat moment ineens in een ander licht kon zien. Ineens voel je als kijker de werkelijkheid en zeggingskracht van dit drama aan den lijve. Leip-ambachtelijk staaltje vernuft van die Loach. Een eigentijdse Dickens, inclusief Scrooge.

DOCUMENTAIRE
Shadow World (Johan Grimonprez)


In de reeks Darwin’s Nightmare (2004), Lord of War (2005) en Dealing and wheeling in small arms (2007) is dit de logische volgende schakel. Gebaseerd op een doorwrochte, bijbeldikke en vooral feitelijke studie naar internationale wapenhandel is deze opmerkelijk genoeg poëtische film een daverend argument tegen zij die nog menen dat wapenhandel als oorzaak van het kwaad in de wereld slechts een complottheorie van verwarde aluhoedjes en neomarxisten is. Met het aan puin geschoten Syrië en de volgende ramp in Soedan in aantocht bedacht ik na verlating van de bioscoop het volgende. Zou het niet wenselijk zijn om de geopolitieke talking heads en Bono’s voortaan alleen nog maar in het theaterkatern van de krant te bespreken, en de voorpagina te reserveren voor een zo droog mogelijk gepresenteerde winst- en verliesrekening van de internationale oorlogsindustrie? Inclusief de concrete belangen van lokale investeerders en (deel)fabrikanten? Zou het daarmee misschien weer mogelijk zijn om zoveel burgerlijke verontwaardiging te organiseren dat de politiek wel mee moet gaan in het compleet saneren van die industrie? (Dream on, Tchong!) Helaas vrees ik dat ook na dit filmjaar vol moreel complexe drone- en sniperfilms juist Shadow World actueel zal blijven. Wie lacht er luidkeels na Aleppo op weg naar zijn bankrekening? Waar twee vechten, maakt één een fijne, belastingvrije woekerwinst.
Dana Linssen sprak voor de Filmkrant met de filmmaker, in dit artikel.

The Event (Sergei Loznitsa)
Muziek- en voice-overloze zwartwit registratie van de chaos waarin revoluties ontstaan en een embryonale democratie ontspoort in Putinisme. Als kijker raak je door deze montage van huis-, tuin- en keukenfilmers in dezelfde verwarring als de getoonde bevolking. Vermoedelijk is dit universeler dan slechts de uiteenvalling van de Sovjet Unie. Je moet ook als kijker maar af gaan op geruchten: op dát kruispunt loopt het nu uit de klauwen, en in dat parlementsgebouw is de zaak al verloren. Heel aangrijpend zie je de achteloosheid waarmee een zekere dictator dan ineens letterlijk naar de macht wandelt. Actueel in het idee dat het niet zozeer een glorieus actief verzet is dat dergelijk wangedrag kan tegenhouden, maar juist het ontbreken van een tegengeluid dit faciliteert. Waar komt een dictator nog mee weg is misschien een belangrijkere vraag dan hoe hem nog te stoppen. Effectief gebruik maken van een glijdende normatieve schaal, het debat framen, het ondenkbare normaliseren. Na dit jaar en met deze film zou je kunnen zeggen dat Putin de hand kan schudden met Trump.

Koyaanisqatsi: Patroonherkenning (Marie Meeusen & Jaïr Tchong)

 Koyaanisqatsi
Still uit Koyaanisqatsi (www.pomegranatearts.com)

Een cultfilm uit 1982 in 2016 zien levert onherroepelijk vormen van onbehagen op, variërend van overkomelijk tot ernstig. Reputatie en verwachting gaan vooraf aan ieder kunstwerk, en bij een cultfilm misschien nog wel meer dan gewoonlijk al het geval is. Koud twintig minuten in Koyaanisqatsi valt me ineens een zekere mate van demagogiek op die in de jaren zestig, zeventig en tachtig couranter moet zijn geweest dan nu. Associatie: De Club van Rome en de angst die dat rapport de westerse wereld een sensibiliteit en een politiek fundament gaf. In sneltreinvaart op naar de ecologische apocalypse – uw tijd is over, aardbewoner.

Ook al zei je ‘ik wacht hier op je’ bij de ingang die voor mannen bedoeld was en ontsteeg je met die particuliere zin het ritme van het universeel dwangmatige, het bleef beklemmend om na afloop de vrouwentoiletten te zoeken. Op mijn netvlies stond de aftiteling. Het netjes gestroomlijnde leek niet meer dan wat uiteindelijk als een stofwolk op de aarde neerdaalt – Hopi’s hebben gelijk.

Koyaanisqatsi: prachtige beelden van destructie, in een genadeloos retorische montage die de kijker klem wil zetten in wat welbeschouwd een particuliere overtuiging moet heten: de mens is voor de aarde een kankergezwel. Maar de pretentie van tijdloos meesterwerk die filmer en componist moet hebben gemotiveerd wordt onderuitgehaald door zowel de alomtegenwoordige, in zijn futurisme verouderde synthesizerklank, als de beelden van de grootstadsbewoners – van funky soulbroek tot kantoorklerkkostuum, een en ander volgens de mode van 1982.

Ook al liep ik tegen de stroom in, ik stevende af op een hokje, in een blok, in een stad, vlakbij een metrostation waar ov-chipkaarten ons allen leesbaar maken – in Rome was het vorige week nog net zoals in de beelden uit 1982: het kaartje verdwijnt in de metalen gleuf en komt er een paar decimeters verder schijnbaar ongewijzigd uit, terwijl de deuren zich openen. Kunnen we weigeren? Hoe klinkt die weigering, hoe ruikt ze, hoe blijft ze liefdevol?

Afgezien deze reserves: wat zegt Koyaanisqatsi ons? Toen de aanvankelijke irritatie was verdwenen (‘is dit National Geographic gone bad, met een pretentieuze componist aan boord?’ riep het interne koor), en vooral na de versnelde delen met de bijbehorende, hoogst effectieve klankagitatie, kwam ik opnieuw onder de bekoring van dit rondtollend stuk wereldleed op film.

Ook al spraken we af om niet te praten over wat we gezien hadden, toen je vertelde dat je je Facebookaccount had opgeheven omdat de blauwwitte mal elk geheim vernietigt, zelfs dat van grote kunstenaars, leken we toch niet te zwijgen. ‘Allemaal hetzelfde, we zijn eenheidsworst,’ hoorde ik een man zeggen. Je zei: ‘We moeten onze oren sluiten voor wat ze zeggen’. Vinden we daarin het geheim terug, in die ontluistering?

Ineens doemt er binnen dit hermetisch uurwerk iets op wat me voorkomt als een vorm van humanisme. Na alle soms kinderlijk overdreven patroonherhaling geeft de filmer ineens volop ruimte aan de paradijsvogel, aan het individu, aan de afwijking van de norm. Aan de mens, de tragische mens, gevangen als hij is in collectieve patronen die zijn soort onherroepelijk van de kaart zullen vegen. Als een ‘ghost in the machine’ lijkt de stelling van deze film te ontsporen.

Ook al kan ik over de muziek niets zinnigs zeggen, toch vraag ik me af wat het verband is tussen Ludovico Einaudi die zijn piano bespeelt op een smeltende ijskap en Philip Glass die zijn soundtrack bij Godfrey Reggio’s film vierendertig jaar na verschijnen live in metropolen speelt. De urgentie die eraan ten grondslag ligt, is waarschijnlijk dezelfde, maar over doeltreffendheid kan ik net zomin iets zinnigs zeggen.

Na deze tour de force was het ditmaal de eindaftiteling die mij de genadeslag gaf: de eindetijdsvoorspelling van de Hopi-indianenstam waaraan Koyaanisqatsi zijn titel ontleent. Als onze tijd over is, dan zal de aarde bedekt zijn met zwart spinrag.

Ook al voel ik weerstand, toch vraag ik me hoopvol af of we niet allen anders afgepeigerd, kwaadaardig en geprogrammeerd zijn? Kunnen we particulier zijn, bijvoorbeeld door tegen massa’s in te verdwalen en te zeggen ‘ik wacht hier op je’? Ogenschijnlijk steeds opnieuw uitgesproken, maar telkens met een ander timbre. Wanneer volstaan we? We zijn wolken. Wolken zijn water, wolken zijn vuur, wolken zijn stof.

Koyaanisqatsi door Philip Glass Ensemble. 19 augustus 2016, HMH, Amsterdam. Deze blogpost is een samenwerking met Marie Meeusen.