beeldrijm #3

Luisterend naar de postwave pop klassieker Soul Mining van The The (1983, Johnson was 21 tijdens de opname!) zoek ik op internet door naar Matt Johnson en kom zo terecht bij een zeer uitgebreid interview dat Johnson in 2007 met Thierry Somers voor het kunstblad 200% deed. Het gesprek is bepaald niet verouderd – en blijkbaar het enige interview dat Johnson deed tussen 2002 en 2014. Een lichte siddering overviel me bij deze passage:

The problem for the West, and the world actually, is that we’re saddled with a US president who is so far out of his depth in terms of worldliness, vision, statesmanship or even basic common sense. Let’s just pray the next one is better!

Ook kwam ik erachter dat het artwork van de elpeehoes door de broer van Matt Johnson is gemaakt, die zich hiervoor liet inspireren door de foto’s die de Franse fotograaf Bernard Matussière van de zangeressen en danseressen van Fela Kuti maakte. Een onverwacht beeldrijm.

systeemkritiek

“Het startup-denken wordt beheerst door de kapitaalmarkt. Iedereen wordt het idee gegeven de nieuwe Mark Zuckerberg te worden, en wordt met venture capital onderdeel van het systeem. Alle energie en kracht van jonge ondernemers worden zo uitgemolken. Het is een keiharde competitie, onder het mom van jong, hip en eco met baristakoffie.”

Marleen Stikker (Waag Society, Institute for art, science & technology) geeft een interessante analyse van de not-so-new economy. Uit de komende editie van Idee, blad van D66. 27 juni is er een thema avond over de deeleconomie in Utrecht.

Pixvae

pixvae-haarlem-hout-2016-c-ton-maas

Pixvae live tijdens Haarlem Hout 2016, foto © Ton Maas

Voor mixedworldmusic.com sprak ik vanmorgen met Damien Cluzel van de Frans-Colombiaanse groep Pixvae. Dat interview is hier te lezen. Cluzel is in Nederland geen onbekende: eerder speelde hij o.a. in Man Bites Dog en Jump to Addis. Pixvae speelt komende vrijdag (als voorprogramma, aanvang 21.00u)  in Grounds, Rotterdam en maandag 20 februari in de kleine zaal van Paradiso (22.15u aanvang concert).

to stay alive: a method

mh-en-ip
Regie
Arno Hager, Erik Lieshout, Reinier van Brummelen. Met o.a. Michel Houellebecq en Iggy Pop. Duur 70 Min. Taal Engels. In 6 steden.

Zijn er redenen om geen zelfmoord te plegen? Iggy Pop leest Michel Houellebecq en zijn indringende leeservaring draagt deze kleine, maar machtige film.

Het bescheiden rumoer dat hieraan vooraf ging had me onterecht schrap gezet. The Stooges (Elektra, 1969), Raw Power (CBS, 1973) en Lust for life (Virgin, ik heb alleen een 1990 reprint) leg ik nog ieder jaar onder de naald, maar de society pers over Iggy Pop volg ik al tijden niet meer en ook de reünieconcerten van The Stooges liet ik passeren. Hoewel ik de toevoeging van bassist Mike Watt (The Minutemen, fIREHOSE) op papier wel interessant vond ogen.

Maar wat een briljante verrassing is deze film, en met name de performance van Iggy Pop! Als het niet zo sleets zou klinken zou ik zeggen dat hij de rol van zijn leven speelt. Des te opmerkelijker wanneer je bedenkt dat deze film niet zozeer over hem gaat, maar over de Franse, vaak misbegrepen überromanticus Houellebecq.

Pop leest Houllebecq (To stay alive: a method, de Engelse vertaling van Rester vivant: méthode, Houellebecqs debuut uit 1991) – dat gegeven alleen zou niet genoeg geweest zijn. De drie makers van de film illustreren dit kale gegeven met uit het leven gegrepen Houellebecqiaanse personages: een bipolaire dichteres, een verdwaalde geest in een gesticht, een gedreven beeldend kunstenaar in zijn atelier. De drie verhalen zijn wederzijds aanvullend en demonstreren de door Houellebecq consequent in zijn romans uiteengezette levensfilosofie. Alle leven is lijden, maar een grote passie kan uitzicht bieden op weidse vergezichten.

Er zit heel erg veel moois in deze film, die op bescheiden wijze een universeel statement maakt én tegelijkertijd een prachtige ingang op het werk van Houellebeq biedt. Om maar één detail te noemen (ga dit vooral snel zelf zien, denkelijk is dit niet het soort film dat een lange roulatie haalt): halverwege de film doemt uit de – daarvoor prettig jazzy – score ineens de machtige feedback op uit de intro van The Stooges’ I wanna be your dog. In de zaal begon al iemand het vervolg te neuriën en ik betrapte mezelf ook op een zekere danslust en opwinding die deze punkklassieker nog immer veroorzaakt. Maar de feedback wordt door de makers in zichzelf geloopt en culmineert juist níet in het overbekende nummer. Vraag me niet waarom, maar ik vind dat buitengewoon sterk.

Ik heb niks met de cult van de rockdinosaurus, die in de jaren zeventig alle mogelijke vormen van stimuli door het lijf pleegde te jagen en nu overleeft op een dieet van wortelsap en yoga. Ook de kitsch van het lijf dat alles heeft gezien en gesmaakt is niet aan mij besteed, maar door de prachtige cinematografie ben ik ineens weer als een straalverliefde puber geraakt door Iggy Pop. Wat een kop. Wat een lijf. En wat een stem! Nog zo’n detail: voor Iggy’s stem is een extreem sensitieve microfoon gebruikt, waardoor je bijna je stoel uit lazert van de lage frequenties, steeds als Iggy spreekt.

Op 29 april 2016 pleegde mijn lieve, briljante neef volkomen onverwacht suïcide. Wat had ik hem graag nog naar deze film meegesleurd. Hoewel Iggy Pop en de tegencultuur waar hij symbool voor staat niet in zijn universum voorkwam, vermoed ik dat deze filmervaring hem had kunnen sterken in zijn strijd met de zinloosheid.

Want zo ver wil ik wel gaan: dit is een levensbevestigende film. Met een mij tamelijk schaarse monterheid verliet ik opgewekt de bioscoop. Aan de slag, dichters!

NB: over de rol van de drie personages valt te discussiëren. Zijn het daadwerkelijke ‘patiënten’ en zo ja, worden ze dan gebruikt door de makers van de film? Of juist getoond in hun kracht? Of zijn het alledrie acteurs? Die morele ambiguïteit maakt dit trouwens wat mij betreft eerder een sterkere dan een zwakke film. Op IMDB en IDFA valt niet te achterhalen wie het zijn. In een prima interview in de Filmkrant wordt uitgegaan van echte patiënten. Ik denk niet dat ze gebruikt worden. Als je met een bepaalde hypersensitiviteit geboren bent en daardoor geneigd bent de wereld niet anders dan als markt en strijd te zien, dan vergt het een overlevingsmethode om niet ten onder te gaan. Wanneer je Houellebecqs filosofie parafraseert verliest die zijn kracht. Vandaar: ga deze film zelf zien.

“Er bestaat alleen revolutionaire en decoratieve kunst.”

Kate Pierson (The B-52’s)

the-b-52s-(2008)

The B-52’s in 2008: vlnr Cindy Wilson, Fred Schneider, Kate Pierson, Keith Strickland.

(NB: eerder verschenen in Het Parool, 2008)
Na zestien jaar verscheen onlangs Funplex, een nieuw en verrassend geslaagd album van The B-52’s. Zaterdag staat de groep die de Amerikaanse new wave dansbaar heeft gemaakt in Paradiso.
Jaïr Tchong
Het nostalgisch futurisme van tekenfilmserie The Jetsons. De vileine cultuurkritiek van The Simpsons. De ‘less is less’ esthetiek van retrowinkels zoals Kitsch Kitchen. Maniakaal spreekgezang door Fred Schneider, rake salvo’s uit de heup van gitarist Keith Strickland en glasheldere koortjes in sixtiesstijl door Cindy Wilson en Kate Pierson. The B-52’s zijn terug, en wederom klinkt men als een live radiouitzending uit een parallel universum. Terwijl de toerbus ergens tussen Stuttgart en Bonn snelt spreken we met Kate Pierson, vanaf het begin de gezichtsbepalende zangeres. Na dertig jaar en duizenden interviews klinkt ze nog steeds alsof ze voor het eerst naar haar drijfveren wordt gevraagd.
Pierson: “Toen wij begonnen bestond in Athens, Georgia geen muziekscene. Alleen aan de universiteit had je een kunstzinnig klimaat waarin geëxperimenteerd kon worden. Op de middelbare school had ik een folkband, The Sun Donuts, en Cindy had toen ook al haar eigen groep. Fred Schneider schreef poëzie. Hij en Ricky (Ricky Wilson, broer van Cindy en gitarist en oprichter van The B-52’s, in 1985 overleden aan AIDS) speelden soms samen, maar niemand had vooraf bedacht dat we een band moesten beginnen. Op Valentijnsdag 1976 was het zover: The B-52’s onstond na een Flaming Volcano, een cocktail met vier soorten alcohol, op een feestje.”
In de studentenwereld van Athens maakte de groep razendsnel furore. Pierson: “The Fans, de enige punkband van Atlanta, riepen meteen: jullie moeten naar New York!” In de daar bruisende new wave scene werd de single Rock Lobster een hit, en het eerste concert legendarisch. “Voor onze eerste gig in New York hadden we voor de zekerheid een vriendenclub uit Athens meegenomen. Het was hilarisch: in CBGB’s (een vermaarde punk en new wave club) stond iedereen, uitgedost in zwart leer, tegen de muur geleund vooral heel ongeïnteresseerd te doen. Maar onze vrienden begonnen meteen wild te dansen, waardoor we uiteindelijk CBGB’s in beweging kregen.” Op de bonustrack van Funplex hoor je hoe ongelofelijk strak men toen al klonk.
Het nieuwe album verschilt niet wezenlijk van de meeste voorgangers: alleen aan de subtiele electronica hoor je de invloed van de nieuwe producers, die eerder het geluid van New Order deden. In de teksten wemelt het vertrouwd van martini miles en pink helicopters. Maar net als in The Simpsons schuilt er een kloppend hart achter alle formica science-fiction decors. In de videoclip van Funplex snort zanger Fred Schneider op een segway, het kolderieke motortje waarmee de vooruitstrevende zakenman zich voortbeweegt, door een eindeloos uitdijend winkelcentrum. “Je zou Funplex inderdaad een mall from hell kunnen noemen. Het Amerikaanse winkelcentrum, dat is consumerism in de hoogste versnelling. Voor de gemiddelde Amerikaan is het de de plek waar het gehele leven zich voltrekt. Heb je gehoord van mallwalks? Lichaamsoefening voor bejaarden. Waar ik woon wordt het mallmonster gelukkig nog tegengehouden, zelfs Mac Donald’s komt mijn dorp niet in. Ik run een motel in de buurt van Woodstock: Kate’s Lazy Meadow. Het is echt mijn droomplek. Samen met wat vrienden heb ik alle kamers ontworpen.”
Eén van de mooiste nummers van Funplex is vernoemd naar Federico Fellini’s Giulietta degli spiriti (1965), een psychedelische ziektegeschiedenis van een vrouw op zoek naar seksuele bevrijding. Net als de muziek van The B-52’s geldt hier vooral: laat eerst alle logica kortsluiten en geniet dan van de schier onuitputtelijke verbeeldingskracht. Pierson: “Tijdens onze eerste tournee door Japan, eind jaren zeventig, hebben we serieus een naamswijziging overwogen: Fellini’s Children. Fellini’s wereld, vol met archetypische vrouwen, heeft ons altijd geïnspireerd.”
“In de tourbus gaat nu een fotoboek van Astrid Kirchherr rond, die fotografe die zo mooi de Hamburgse periode van The Beatles heeft gefotografeerd. Prachtig, maar het is echt een andere tijd. Het verlangen naar onschuldiger tijden zal altijd onze muziek bepalen. De Bushjaren zijn zó depressief geweest. Vanaf het moment dat hij de verkiezingen stal is het enige dat iedereen in onze vriendenkring bezig hield: hoe kunnen we deze gek stoppen? Als Barack Obama niet wint verhuizen we naar Amsterdam.”

papier, potlood en gummetje

Op de vooravond van zijn officiële benoeming tot Componist des Vaderlands, een splinternieuwe functie in de Nederlandse cultuur, spreekt Buma Cultuur Magazine met Willem Jeths (Amersfoort, 1 augustus 1959), componist, musicoloog en hoofdvakdocent compositie aan het Conservatorium van Amsterdam.

© Jaïr Tchong (eerder verschenen in Buma Stemra Magazine, winter 2015)

We doen de Spotifytest. Is zijn muziek aanwezig op het voor luisteraars onder de 30 belangrijkste muziekplatform? Ja, van Willem Jeths staat de cd Bella Figura, uitgebracht door NorthWest Classics in 2002, op Spotify. Slechts vier stukken van rond de vijftien minuten, maar dit geeft al een aardige, eerste indruk van ’s mans compositorische stijl. Onde: krachtige ‘vamps’ van blazers doen in de verte denken aan Louis Andriessens De Staat, maar de ritmiek swingt veel meer dan zij stoot (zoals bij Andriessen), en de dynamische diepte brengt eerder Stravinsky dan Andriessen in herinnering. Bella Figura: serene, diepe strijkerspartij zet de toon voor een mystiek-ijle exercitie die de luisteraar op scherp stelt. Tim/Ba: een hamerend metaalgeluid culminerend in brekend glas vormt de opmaat tot een stuk waarin de werken van Reich voor marimba in herinnering komen. Tegelijkertijd verraadt de spankracht van de harmonische ontwikkeling een klassiek georiënteerde vormgeving. Chiasmos: een Aziatisch uiterlijk met gamelanachtige associaties, gezegend met een dwars, humeurig, en daardoor fascinerende binnenwereld.

Wat deze vier stukken gemeen hebben is een ongekende helderheid in het overbrengen van de emotie. Hedendaags klassiek in de diepste zin des woords, dus zonder terug te vallen op de taal van de popmuziek, seriële ondoordringbaarheid of postmoderne verwarring. Deze werken, net als het overdonderende stuk Glenz (zie kader) stellen eisen aan de luisteraar zonder deze te willen smoren in erudiete citeerdrift, actuele muziek die gehoord wil worden, nieuwe wegen zoekt, maar de emotie niet schuwt. Een gepaster kandidaat voor de nieuwe functie Componist des Vaderlands is er kortom niet – zeker omdat Willem Jeths in woord, gebaar en arbeid als hoofdvakdocent compositie permanent bezig is met nieuwe noten naar een nieuw publiek te brengen. Zonder ponteneur, maar met de innerlijke gedrevenheid en klare taal die je van een componist des vaderlands mag verwachten. Na Amsterdam, waar hij onlangs nog werd gelauwerd met de Amsterdam Prijs voor de Kunst, volgt nu Nederland.

We ontmoeten Jeths in zijn bovenwoning in het hart van het drukste district van Amsterdam. Niks geen pastorale omgeving, ver vanaf het rumoer: vanuit zijn voorkamer kijkt Jeths uit op hordes toeristen op zoek naar vertier. In contrapunt met het uitzicht is het hele huis ingericht met smaakvol antiek. Als ik hem op de voor een toondichter toch wat opmerkelijke centrumlokatie van zijn huis wijs blijkt er wel een Italiaans verblijf te zijn, waar hij ook componeert. “Maar het is heerlijk hier, met vrienden hier met de deuren open naar het rumoer beneden kijken.”

We vallen met de deur in huis: gefeliciteerd met uw benoeming als Componist des Vaderlands! Wat gaat u doen met deze nieuwe functie?

“De functie wil ik vooral benutten voor een pleidooi voor de moderne Nederlandse gecomponeerde muziek. Nederlands componeren heeft op dit moment helemaal geen gezicht. Veel orkesten zijn opgeven of gefuseerd, veel ensembles zijn opgeheven. Een componist des vaderlands moet daarvoor opkomen. Onderwijs is de basis voor alles, maar het Nederlands muziekonderwijs is zó slecht geworden, dat als we niet oppassen niemand meer een referentie heeft bij wat klassieke muziek is en kan zijn. De jongste generatie componisten leidt ik zelf op in Amsterdam en ik merk dat ze geen poot meer aan de grond krijgen. Toen ik afstudeerde had je nog het Fonds voor de Scheppende Toonkunst, bij gebleken talent kon je direct aan de gang. Nu moet je maar geluk hebben met musici die het uit willen voeren.”

“Gelukkig heeft minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap Jet Bussemaker net samen met Joop van den Ende 50 miljoen euro vrijgemaakt voor muziek in het basisonderwijs. Initiatieven zoals het Leerorkest, inmiddels zijn er 38, vind ik ook heel bemoedigend. Naast onderwijs wil ik gaan strijden voor het onder de aandacht brengen van ons muzikale erfgoed: Tristan Keuris, Hans Kox, Matthijs Vermeulen, Alphons Diepenbrock – om er maar een paar te noemen. Zenuwachtig over de tijdsdruk van de functie? Nee, het hoort bij de taak. Net als kranten een necrologie archief hebben kan ik natuurlijk wel putten uit een reservoir van ideeën, aanzetten. Of ik problemen verwacht met het componeren naar aanleiding van nationale gebeurtenissen? Nu ja, noten hebben wel een betekenis, maar nooit zo direct als taal. Bij rampen kan ik me wel muziek voorstellen die troost kan bieden. Daarin kan je als componist des vaderlands voorzien.”

Een bekende analyse rondom de teloorgang van de populariteit van hedendaags klassiek is dat zij in academische afzondering te complex werd. Melodie en harmonie werden door generaties componisten als verdacht bestempeld, intellectuele compositieprincipes heilig geacht. Waar staan we nu?

“Tijdens het modernisme keerde men zich af van het symfonisch orkest, dat men zag als een bourgeois monster, een tonaal, Romantisch vehikel. De hele instrumentsamenstelling heeft te maken met tonaliteit. Dat componisten dit niet meer zagen zitten is heel begrijpelijk. Maar de tijdgeest is veranderd, dit is in zekere zin een tijd van restauratie in de goede zin des woords. Verworvenheden uit de hele muziekgeschiedenis liggen nu met het modernisme en postmodernisme naast elkaar. Als hedendaags componist moet je de juiste keus maken. Er is geen enkelvoudige canon meer, of een hedendaagse muziekpolitie die constant op de loer ligt. In de muziekjournalistiek zijn er geen grote polemieken meer, wat overigens ook een beetje saai is. Tegelijkertijd is onder jongere generaties een enorme drang om het allemaal zelf te organiseren: zo’n initiatief als Splendor (een presentatieplek voor nieuwe muziek, geheel georganiseerd door componisten en musici zelf, in Amsterdam – JT) komt geheel vanuit de muziek zélf op, niet vanuit een van bovenaf opgelegde structuur.”

Hoe zou u uw eigen compositorische stijl positioneren?


“De Haagse school, lange tijd dé gezichtsbepalende stroming binnen de Nederlandse noten, koesterde een expressieve zuinigheid, een economische manier van uitdrukking, die misschien wel onbewust door het Calvinisme werd gevoed. Vooral net als Mondriaan strakke dingen tegen elkaar zetten. Een typisch Noordelijk denken, wars van piëtisme, want dat noemen we hier al snel een overdreven religiositeit. Overzicht, helderheid, maar ook: open minded. Typerend wat dit betreft is dat een echte operacultuur in Nederland pas sinds de opening van het Muziektheater in Amsterdam is onstaan – dat is rijkelijk laat! Ik ben veel mediteraner, latijnser, ik hou wel van warmbloedigheid. Guus Janssen heeft dit trouwens ook. Keuris en Kox, bij wie ik studeerde, doen ook veel meer vanuit weelderigheid.”

Welke software gebruikt u bij het componeren?

De componist des vaderlands begint innemend te lachen: “Papier, potlood en gummetje! Componeren met een computer klinkt te snel goed, als je dan uiteindelijk het orkest hoort, hoor je ineens dat bijvoorbeeld een fluit in een bepaald register helemaal niet goed klinkt. Aan mijn studenten vraag ik ook altijd om eens te componeren met potlood. Het schrijven aan de piano is veel leuker, dat is veel meer een alchemie.”

Schrijven voor symfonisch orkest moet een – gezien de last van de grootheden uit de muziekgeschiedenis – psychologisch gezien onalledaagse onderneming zijn. Wat heeft u hierbij het meeste geholpen?

“Hoewel ik vanaf het begin van mijn carrière geen gebrek aan erkenning heb gehad, voel ik mij eigenlijk nu pas gewaardeerd en in tune met de tijdgeest. Als student wilde ik niet serieel componeren, maar iedere kunstenaar streeft naar erkenning. Ik ging door, omdat ik al snel werd gezien door invloedrijke mensen, zoals Jan Zekveld, de toenmalige programmeur van de Zaterdagmatinee. Maar ook buitenlandse erkenning in de vorm van opdrachten van Kronos Quartet brachten me op de goede weg. In Wenen won ik een compositieprijs met Ligeti en Berio in de jury – dat gaf me het vertrouwen door te gaan op mijn eigen weg. Bij het schrijven voor symfonie orkest kijkt natuurlijk de muziekgeschiedenis over mijn schouders mee. Maar ik laat me niet meer imponeren. Ik maak wat ik mooi vind.”

Hoe acht u de kansen voor jonge, nog studerende componisten?

“Met mijn Amsterdamse collega’s, we zijn met drie hoofddocenten, probeer ik juist te kijken wat de student aanbiedt, in plaats van hem of haar iets opleggen. De student staat centraal met zijn talent. Wat heel verfrissend is: alles ligt klaar voor jonge componisten, niet zo apodictisch meer. Dat dogmatische denken van vroeger is echt helemaal verdwenen. Jonge componisten willen in collectieven werken, met dansers, schrijvers, filmmakers – met z’n allen zoeken ze naar de essentie. Chinese en Japanse studenten komen naar het Conservatorium van Amsterdam, vooral voor de aloude, enkelvoudige canon. Maar dat zorgt voor een heel interessant fenomeen: juist doordat zij met de westerse canon worden geconfronteerd hervinden zij vaak zichzelf en hun eigen specifieke muzikale uitdrukkingstaal. Kijken wat er is en dat tot bloei laten komen – ik denk dat dat een gezondere uitgangssituatie is dan vroeger. De muziek van nu is helemaal niet hermetisch, er zijn juist steeds meer componisten die willen communiceren.”

Op 20 december gaat van Jeths het nieuwe Blokfluitconcert in première, geschreven in opdracht van NTR Zaterdagmatinee voor Erik Bosgraaf, met het Radio Filharmonisch Orkest onder leiding van Markus Stenz. Concertgebouw Amsterdam, 14.15u.

[kadertekstje]
Jeths over Glenz (1993), geschreven in opdracht van Nieuw Sinfonietta Amsterdam
“De titel is jargon uit de computerwereld en is een verbastering van glance, wat staat voor een geometrische situatie waarin je alle vlakken tegelijkertijd kunt zien. Elke toon die de violist speelt kan worden gedubbeld met één van de tonen van het verstemde orkest. Er ontstaat een diepe klank met enorm veel boventonen. Juist door die open klanken is het een heftig, expressief stuk geworden.” Glenz werd uitgekozen tot de Canon van de Nederlandse muziek.

Tip: in mei volgde journalist Guido Spring Jeths rondom de première van een nieuw werk. Hier is dit terug te beluisteren.