Volgens Venema – over muziekbiz

Voor HP/De Tijd las ik Yaël Vinckx’ boek over Willem Venema, een legende achter de schermen van de Nederlandse muziekindustrie. De recensie kun je hier lezen, het boek wordt vanmiddag in Groningen tijdens Eurosonic/Noorderslag gepresenteerd.

cover venema

Advertenties

(handgebaar vuurwapen)

Cor_van_Hout_en_Willem_Holleeder

Cor van Hout en Willem Holleeder

Met 274 andere lezers ben ik momenteel lid van de kernjury van de NS Publieksprijs. Voor maandag 20 november worden we geacht uit deze zes titels een winnaar te kiezen: Johan Cruijff, Mijn verhaal; Michel van Egmond, De wereld volgens Gijp; Astrid Holleeder, Judas – een familiekroniek; Geert Mak, De levens van Jan Six – een familiegeschiedenis; Saskia Noort, Huidpijn; Thijs Zonneveld, Thomas Dekker – Mijn gevecht. Sinds 1987 waren dit de winnaars.

Afgelopen week las ik Judas van Astrid Holleeder, memoires van de zus van de beroemdste crimineel van Nederland. Zelf noemt ze het herhaaldelijk een testament: Willem Holleeder heeft naar verluidt al een prijs op haar hoofd gezet. Astrid is er zeker van dat ze in opdracht van haar broer zal worden vermoord.

In het eerste, meer verhalende deel schetst Astrid hoe zij zich met sport en studie wist te ontworstelen aan haar disfunctionele gezin en dan vooral haar gewelddadige vader en broer. In deel twee lees je in dagboekvorm hoe zij vervolgens met justitie samenwerkt om Willem Holleeder tot levenslang veroordeeld te krijgen.

Het Jordaanmilieu waarin Astrid volwassen werd liet weinig ruimte voor verbeelding of zelfs maar ontwikkeling. Permanent stond ieder gezinslid onder hoogspanning: zou hun alcoholische vader weer ontploffen? Die in zichzelf gekeerde wereld van de Jordaan van voor de gentrificatie roept associatieve werelden op van Charles Dickens tot en met Ciske de rat. De stijl is echter effectief kaal en gelukkig niet gekunsteld literair.

Dit boek gaat nauwelijks over de ontvoering van Heineken, of de vele liquidaties daarna. Het ware drama is hier de psychologische terreur die van vader op zoon over is gegaan en die Astrids hele familie en schoonfamilie gegijzeld houdt. Willem Holleeder, die in 2012 even door een gunstig ontvangen tv-optreden in de schijnwerpers stond als nationale knuffelcrimineel, wordt door Astrid trefzeker geportretteerd als een meesterintrigant, die met een haast autistische genialiteit mensen tegen elkaar weet uit te spelen, en daarbij zelf altijd buiten spel lijkt te staan.

Een dergelijke psychobiografie is natuurlijk een bekend gegeven in de fictie, van The Godfather via Goodfellas tot Narcos. Knap is de wijze waarop Astrid hier een dergelijke romantische mystificatie weet te vermijden. Hooguit herinnert zij zich wat schaarse incidenten van tederheid tussen broer en zus, momenten die haar wroeging over haar stap naar justitie overigens nog scherper en geloofwaardiger maken.

“Volledig op de hoogte van de opsporingsmethoden van justitie, anticipeert hij op hun manier van werken en zorgt ervoor dat geen traceerbare ontmoeting, geen observatie, geen zichtbaar contact, geen gesprek of telefoongesprek hem kan belasten. Integendeel, hij gebruikt de opsporingsmethoden van justitie om zijn eigen verhaal te bevestigen. Voortdurend erop bedacht te worden afgeluisterd, zegt hij luid en duidelijk wat hij wil dat justitie hoort; het verhaal dat hij kan gebruiken om justitie op het verkeerde spoor te zetten. Het ‘maken van tapjes’, noemt hij dat. Wat justitie niet mag horen gebaart of fluistert hij, zodat het op opnameapparatuur niet te horen valt.” (142)

De macht die Willem Holleeder over Astrid en haar familie volcontinu weet uit te oefenen is voor de lezer een ronduit claustrofobische ervaring. Wanneer Astrid en haar zus na jaren van twijfel uiteindelijk getuigen tegen Willem (‘Vrouwen vloeren Holleeder’ kopt een krant) volgt er echter geen verlossing. Beide zussen zijn – waarschijnlijk terecht – ervan overtuigd met die verklaringen hun eigen doodvonnissen te hebben getekend. Astrid realiseert zich dat haar broer, zelfs vanuit de Extra Beveiligde Inrichting, haar leven fataal blijft begrenzen. Wegens de doodsbedreiging moet ze stoppen met haar werk als advocate en uiteindelijk ook verhuizen naar de anonimiteit.

“Was ik een jongen geweest dan was ik wellicht net zo geworden als hij. Misschien alleen omdat ik een meisje was kon ik mijn emotionele gebreken niet met geweld en bravoure compenseren, maar moest ik dat via mijn ‘intelligentie’ doen en heeft me dat behoed voor eenzelfde levensloop.” (220)

Deze true crime literatuur ontleent zijn kracht en betekenis aan de onmiskenbare psychologische dimensie – niet aan glorieuze kogelregens of sensationele ontsnappingen. De beklemming waarin vader en zoon Holleeder hun omgeving gegijzeld houden, vaak met louter een handgebaar, is adembenemend. Bewonderenswaardig hoe deze twee sterke vrouwen geheel tegen iedere verwachting en goedbedoelde adviezen in besluiten om toch op te staan tegen de waanzin. Kees Sietsma, de leider van het Heinekenteam in 1983, stelt het in een ontroerende brief aan Astrid na hun verklaringen zo: “u behoort wat mij betreft tot de ruggengraat van Nederland.” (491)

Maar Astrid Holleeder is niet de persoon voor zelffelicitatie of triomfantelijkheid. Wat resteert in een aangrijpend, rechtstreeks aan haar broer gericht nawoord is diepe, diepe melancholie.

Astrid Holleeder, Judas – een familiekroniek (Lebowski, 2016, 576 pagina’s).

Over hoe vrouwen mannen kunnen helpen de wereld te verbeteren

Mannen hebben een natuurlijke neiging tot luiheid. Dit is niet iets om tegen te strijden, maar om te omarmen. Het zou weleens de redding van de aarde kunnen betekenen.

Bron: Over hoe vrouwen mannen kunnen helpen de wereld te verbeteren

the music world

Words Without Music mech.indd


Years later, I got to know Ornette (Coleman). He had a place on Prince Street with a pool table in the front room. A good spot to hang out and talk about music. I met numerous musicians there of all kinds, including members of his ensemble, especially James “Blood” Ulmer, who had his own band as well. Ornette gave me a piece of advice that I have pondered ever since. He said, “Don’t forget, Philip, the music world and the music business are not the same.”

Currently enjoying Words without music, the memoires Philip Glass published last year. Just love the way he remembers his dad, who sold classical music records. The ones which didn’t sell (in late 40ies Baltimore Bartók, Shostakovich, Stravinsky) his father took home trying to figure out why they didn’t sell. In the process, both father and son learned to appreciate modern music.

His time with Nadia Boulanger in Paris and his arrival in NYC is also beautifully remembered, almost as if you watch a movie. His music met a lot of criticism before his breakthrough opera Einstein on the beach (1976), classical venues and critics didn’t seem to appreciate what Glass was doing before that time. His answer: move over to spaces where they do appreciate my music. In his early days Glass played mainly in art spaces and lofts, where apparently a more open attitude towards the unknown was cultivated.

In these elegantly written pages Glass doesn’t fake any shyness, but this is not the autobiography of a self-indulgent hero, nor just a catalogue of personal victories. In a quite moving fragment he remembers all the great artists, many of them personal friends, who passed away during the AIDS crisis. It wasn’t until Glass was commissioned by the Rotterdam Opera (for Satyagraha, in 1978) that he could live from his compositions only. Up till that moment he took jobs as a factory worker, plumber and cab driver. Glass is not grandiose about it, it just served his major ambitions: make music, enjoy a family.

His thoughts on classical music (in the theatre progress can be achieved; why should you begin your artistic endeavours with composing yet another symphony or string quartet?), his open attitude towards ‘non-western’ music which informs all his major compositions, his personal work ethos – it’s all there to empower the reader. A great read for anyone interested in contemporary music and cultural history.

Philip Glass, Words without music – a memoir (Liveright Publishing Corporation/W.W. Norton & Company, 2015).