to stay alive: a method

mh-en-ip
Regie
Arno Hager, Erik Lieshout, Reinier van Brummelen. Met o.a. Michel Houellebecq en Iggy Pop. Duur 70 Min. Taal Engels. In 6 steden.

Zijn er redenen om geen zelfmoord te plegen? Iggy Pop leest Michel Houellebecq en zijn indringende leeservaring draagt deze kleine, maar machtige film.

Het bescheiden rumoer dat hieraan vooraf ging had me onterecht schrap gezet. The Stooges (Elektra, 1969), Raw Power (CBS, 1973) en Lust for life (Virgin, ik heb alleen een 1990 reprint) leg ik nog ieder jaar onder de naald, maar de society pers over Iggy Pop volg ik al tijden niet meer en ook de reünieconcerten van The Stooges liet ik passeren. Hoewel ik de toevoeging van bassist Mike Watt (The Minutemen, fIREHOSE) op papier wel interessant vond ogen.

Maar wat een briljante verrassing is deze film, en met name de performance van Iggy Pop! Als het niet zo sleets zou klinken zou ik zeggen dat hij de rol van zijn leven speelt. Des te opmerkelijker wanneer je bedenkt dat deze film niet zozeer over hem gaat, maar over de Franse, vaak misbegrepen überromanticus Houellebecq.

Pop leest Houllebecq (To stay alive: a method, de Engelse vertaling van Rester vivant: méthode, Houellebecqs debuut uit 1991) – dat gegeven alleen zou niet genoeg geweest zijn. De drie makers van de film illustreren dit kale gegeven met uit het leven gegrepen Houellebecqiaanse personages: een bipolaire dichteres, een verdwaalde geest in een gesticht, een gedreven beeldend kunstenaar in zijn atelier. De drie verhalen zijn wederzijds aanvullend en demonstreren de door Houellebecq consequent in zijn romans uiteengezette levensfilosofie. Alle leven is lijden, maar een grote passie kan uitzicht bieden op weidse vergezichten.

Er zit heel erg veel moois in deze film, die op bescheiden wijze een universeel statement maakt én tegelijkertijd een prachtige ingang op het werk van Houellebeq biedt. Om maar één detail te noemen (ga dit vooral snel zelf zien, denkelijk is dit niet het soort film dat een lange roulatie haalt): halverwege de film doemt uit de – daarvoor prettig jazzy – score ineens de machtige feedback op uit de intro van The Stooges’ I wanna be your dog. In de zaal begon al iemand het vervolg te neuriën en ik betrapte mezelf ook op een zekere danslust en opwinding die deze punkklassieker nog immer veroorzaakt. Maar de feedback wordt door de makers in zichzelf geloopt en culmineert juist níet in het overbekende nummer. Vraag me niet waarom, maar ik vind dat buitengewoon sterk.

Ik heb niks met de cult van de rockdinosaurus, die in de jaren zeventig alle mogelijke vormen van stimuli door het lijf pleegde te jagen en nu overleeft op een dieet van wortelsap en yoga. Ook de kitsch van het lijf dat alles heeft gezien en gesmaakt is niet aan mij besteed, maar door de prachtige cinematografie ben ik ineens weer als een straalverliefde puber geraakt door Iggy Pop. Wat een kop. Wat een lijf. En wat een stem! Nog zo’n detail: voor Iggy’s stem is een extreem sensitieve microfoon gebruikt, waardoor je bijna je stoel uit lazert van de lage frequenties, steeds als Iggy spreekt.

Op 29 april 2016 pleegde mijn lieve, briljante neef volkomen onverwacht suïcide. Wat had ik hem graag nog naar deze film meegesleurd. Hoewel Iggy Pop en de tegencultuur waar hij symbool voor staat niet in zijn universum voorkwam, vermoed ik dat deze filmervaring hem had kunnen sterken in zijn strijd met de zinloosheid.

Want zo ver wil ik wel gaan: dit is een levensbevestigende film. Met een mij tamelijk schaarse monterheid verliet ik opgewekt de bioscoop. Aan de slag, dichters!

NB: over de rol van de drie personages valt te discussiëren. Zijn het daadwerkelijke ‘patiënten’ en zo ja, worden ze dan gebruikt door de makers van de film? Of juist getoond in hun kracht? Of zijn het alledrie acteurs? Die morele ambiguïteit maakt dit trouwens wat mij betreft eerder een sterkere dan een zwakke film. Op IMDB en IDFA valt niet te achterhalen wie het zijn. In een prima interview in de Filmkrant wordt uitgegaan van echte patiënten. Ik denk niet dat ze gebruikt worden. Als je met een bepaalde hypersensitiviteit geboren bent en daardoor geneigd bent de wereld niet anders dan als markt en strijd te zien, dan vergt het een overlevingsmethode om niet ten onder te gaan. Wanneer je Houellebecqs filosofie parafraseert verliest die zijn kracht. Vandaar: ga deze film zelf zien.

“Er bestaat alleen revolutionaire en decoratieve kunst.”

Advertenties

the music world

Words Without Music mech.indd


Years later, I got to know Ornette (Coleman). He had a place on Prince Street with a pool table in the front room. A good spot to hang out and talk about music. I met numerous musicians there of all kinds, including members of his ensemble, especially James “Blood” Ulmer, who had his own band as well. Ornette gave me a piece of advice that I have pondered ever since. He said, “Don’t forget, Philip, the music world and the music business are not the same.”

Currently enjoying Words without music, the memoires Philip Glass published last year. Just love the way he remembers his dad, who sold classical music records. The ones which didn’t sell (in late 40ies Baltimore Bartók, Shostakovich, Stravinsky) his father took home trying to figure out why they didn’t sell. In the process, both father and son learned to appreciate modern music.

His time with Nadia Boulanger in Paris and his arrival in NYC is also beautifully remembered, almost as if you watch a movie. His music met a lot of criticism before his breakthrough opera Einstein on the beach (1976), classical venues and critics didn’t seem to appreciate what Glass was doing before that time. His answer: move over to spaces where they do appreciate my music. In his early days Glass played mainly in art spaces and lofts, where apparently a more open attitude towards the unknown was cultivated.

In these elegantly written pages Glass doesn’t fake any shyness, but this is not the autobiography of a self-indulgent hero, nor just a catalogue of personal victories. In a quite moving fragment he remembers all the great artists, many of them personal friends, who passed away during the AIDS crisis. It wasn’t until Glass was commissioned by the Rotterdam Opera (for Satyagraha, in 1978) that he could live from his compositions only. Up till that moment he took jobs as a factory worker, plumber and cab driver. Glass is not grandiose about it, it just served his major ambitions: make music, enjoy a family.

His thoughts on classical music (in the theatre progress can be achieved; why should you begin your artistic endeavours with composing yet another symphony or string quartet?), his open attitude towards ‘non-western’ music which informs all his major compositions, his personal work ethos – it’s all there to empower the reader. A great read for anyone interested in contemporary music and cultural history.

Philip Glass, Words without music – a memoir (Liveright Publishing Corporation/W.W. Norton & Company, 2015).