the music world

Words Without Music mech.indd


Years later, I got to know Ornette (Coleman). He had a place on Prince Street with a pool table in the front room. A good spot to hang out and talk about music. I met numerous musicians there of all kinds, including members of his ensemble, especially James “Blood” Ulmer, who had his own band as well. Ornette gave me a piece of advice that I have pondered ever since. He said, “Don’t forget, Philip, the music world and the music business are not the same.”

Currently enjoying Words without music, the memoires Philip Glass published last year. Just love the way he remembers his dad, who sold classical music records. The ones which didn’t sell (in late 40ies Baltimore Bartók, Shostakovich, Stravinsky) his father took home trying to figure out why they didn’t sell. In the process, both father and son learned to appreciate modern music.

His time with Nadia Boulanger in Paris and his arrival in NYC is also beautifully remembered, almost as if you watch a movie. His music met a lot of criticism before his breakthrough opera Einstein on the beach (1976), classical venues and critics didn’t seem to appreciate what Glass was doing before that time. His answer: move over to spaces where they do appreciate my music. In his early days Glass played mainly in art spaces and lofts, where apparently a more open attitude towards the unknown was cultivated.

In these elegantly written pages Glass doesn’t fake any shyness, but this is not the autobiography of a self-indulgent hero, nor just a catalogue of personal victories. In a quite moving fragment he remembers all the great artists, many of them personal friends, who passed away during the AIDS crisis. It wasn’t until Glass was commissioned by the Rotterdam Opera (for Satyagraha, in 1978) that he could live from his compositions only. Up till that moment he took jobs as a factory worker, plumber and cab driver. Glass is not grandiose about it, it just served his major ambitions: make music, enjoy a family.

His thoughts on classical music (in the theatre progress can be achieved; why should you begin your artistic endeavours with composing yet another symphony or string quartet?), his open attitude towards ‘non-western’ music which informs all his major compositions, his personal work ethos – it’s all there to empower the reader. A great read for anyone interested in contemporary music and cultural history.

Philip Glass, Words without music – a memoir (Liveright Publishing Corporation/W.W. Norton & Company, 2015).

Koyaanisqatsi: Patroonherkenning (Marie Meeusen & Jaïr Tchong)

 Koyaanisqatsi
Still uit Koyaanisqatsi (www.pomegranatearts.com)

Een cultfilm uit 1982 in 2016 zien levert onherroepelijk vormen van onbehagen op, variërend van overkomelijk tot ernstig. Reputatie en verwachting gaan vooraf aan ieder kunstwerk, en bij een cultfilm misschien nog wel meer dan gewoonlijk al het geval is. Koud twintig minuten in Koyaanisqatsi valt me ineens een zekere mate van demagogiek op die in de jaren zestig, zeventig en tachtig couranter moet zijn geweest dan nu. Associatie: De Club van Rome en de angst die dat rapport de westerse wereld een sensibiliteit en een politiek fundament gaf. In sneltreinvaart op naar de ecologische apocalypse – uw tijd is over, aardbewoner.

Ook al zei je ‘ik wacht hier op je’ bij de ingang die voor mannen bedoeld was en ontsteeg je met die particuliere zin het ritme van het universeel dwangmatige, het bleef beklemmend om na afloop de vrouwentoiletten te zoeken. Op mijn netvlies stond de aftiteling. Het netjes gestroomlijnde leek niet meer dan wat uiteindelijk als een stofwolk op de aarde neerdaalt – Hopi’s hebben gelijk.

Koyaanisqatsi: prachtige beelden van destructie, in een genadeloos retorische montage die de kijker klem wil zetten in wat welbeschouwd een particuliere overtuiging moet heten: de mens is voor de aarde een kankergezwel. Maar de pretentie van tijdloos meesterwerk die filmer en componist moet hebben gemotiveerd wordt onderuitgehaald door zowel de alomtegenwoordige, in zijn futurisme verouderde synthesizerklank, als de beelden van de grootstadsbewoners – van funky soulbroek tot kantoorklerkkostuum, een en ander volgens de mode van 1982.

Ook al liep ik tegen de stroom in, ik stevende af op een hokje, in een blok, in een stad, vlakbij een metrostation waar ov-chipkaarten ons allen leesbaar maken – in Rome was het vorige week nog net zoals in de beelden uit 1982: het kaartje verdwijnt in de metalen gleuf en komt er een paar decimeters verder schijnbaar ongewijzigd uit, terwijl de deuren zich openen. Kunnen we weigeren? Hoe klinkt die weigering, hoe ruikt ze, hoe blijft ze liefdevol?

Afgezien deze reserves: wat zegt Koyaanisqatsi ons? Toen de aanvankelijke irritatie was verdwenen (‘is dit National Geographic gone bad, met een pretentieuze componist aan boord?’ riep het interne koor), en vooral na de versnelde delen met de bijbehorende, hoogst effectieve klankagitatie, kwam ik opnieuw onder de bekoring van dit rondtollend stuk wereldleed op film.

Ook al spraken we af om niet te praten over wat we gezien hadden, toen je vertelde dat je je Facebookaccount had opgeheven omdat de blauwwitte mal elk geheim vernietigt, zelfs dat van grote kunstenaars, leken we toch niet te zwijgen. ‘Allemaal hetzelfde, we zijn eenheidsworst,’ hoorde ik een man zeggen. Je zei: ‘We moeten onze oren sluiten voor wat ze zeggen’. Vinden we daarin het geheim terug, in die ontluistering?

Ineens doemt er binnen dit hermetisch uurwerk iets op wat me voorkomt als een vorm van humanisme. Na alle soms kinderlijk overdreven patroonherhaling geeft de filmer ineens volop ruimte aan de paradijsvogel, aan het individu, aan de afwijking van de norm. Aan de mens, de tragische mens, gevangen als hij is in collectieve patronen die zijn soort onherroepelijk van de kaart zullen vegen. Als een ‘ghost in the machine’ lijkt de stelling van deze film te ontsporen.

Ook al kan ik over de muziek niets zinnigs zeggen, toch vraag ik me af wat het verband is tussen Ludovico Einaudi die zijn piano bespeelt op een smeltende ijskap en Philip Glass die zijn soundtrack bij Godfrey Reggio’s film vierendertig jaar na verschijnen live in metropolen speelt. De urgentie die eraan ten grondslag ligt, is waarschijnlijk dezelfde, maar over doeltreffendheid kan ik net zomin iets zinnigs zeggen.

Na deze tour de force was het ditmaal de eindaftiteling die mij de genadeslag gaf: de eindetijdsvoorspelling van de Hopi-indianenstam waaraan Koyaanisqatsi zijn titel ontleent. Als onze tijd over is, dan zal de aarde bedekt zijn met zwart spinrag.

Ook al voel ik weerstand, toch vraag ik me hoopvol af of we niet allen anders afgepeigerd, kwaadaardig en geprogrammeerd zijn? Kunnen we particulier zijn, bijvoorbeeld door tegen massa’s in te verdwalen en te zeggen ‘ik wacht hier op je’? Ogenschijnlijk steeds opnieuw uitgesproken, maar telkens met een ander timbre. Wanneer volstaan we? We zijn wolken. Wolken zijn water, wolken zijn vuur, wolken zijn stof.

Koyaanisqatsi door Philip Glass Ensemble. 19 augustus 2016, HMH, Amsterdam. Deze blogpost is een samenwerking met Marie Meeusen.

Splendor goes educational

Yesterday I participated in the first Splendor Summer Academy, with a short talk + Q&A for 12 selected, international students. Topics: music programming beyond boundaries and music journalism in the Netherlands. Very nice to meet and discuss with the upcoming generation! #lookingfornewopportunities #sendmeaPMifyouhearanythingrelevant

Jair

Splendor Summer Academy #1, After Dinner Talk #3

martin van duynhoven

In a mittrailleur

D3D Percussion Ensemble plays the music of Martin van Duynhoven

This morning I went to Musicon in The Hague for a concert based on the music of Dutch jazzdrummer Martin van Duynhoven. Some time ago a friend gave me a copy of the wonderful recording of Van Duynhoven Percussion Ensemble’s In A.M. (a live recording in Frascati, 1976).

In ‘A’ Mitrailleur N.Y. ’76 part 1 & 2 (subtitled Of wij moeten dit in het midden laten) is a most intriguing concert for four drummers, two saxophones & one banjo, which takes place, one could say, somewhere in between minimal music and impro.

Since this morning concert took place within the context of a conference for drummers, they didn’t play the whole piece, but only 3 short parts taken from the original concert.

Van Duynhoven played with Mark Eeftens, Olaf Fase (great name for a drummer by the way) and Fred Cohen, and as short and incomplete as it was: it worked wonders. There’s a mystery in here which really tickles the imagination, and I do hope some venue in the Netherlands or perhaps the next edition of Wonderfeel will programme a full rendition of In AM in the original line up.

Have a look at this short doc on Van Duynhoven and his musical ideas, made for the series Jazzhelden by the Nederlands Jazz Archief.

 

angola

Div. artiesten
Angola – as 100 grandes músicas dos anos 60 e 70
(Difference Music/Som Livre/Bang!)
* * * *
Frederic Galliano presents Kuduro Sound System
(Frikyiwa/Munich)
* * *
Jaïr Tchong (eerder verschenen in Het Parool, 7 augustus 2007)
Angola.JPG
foto: Elias dia Kimuezo, “koning van de Angolese pop” © Difference Music

Slavernij is typisch een historische abstractie die pas werkelijk tot je doordringt als je een blik op de kille cijfers werpt. Tussen 1500 en 1850 werden door Europese schepen naar schatting twaalf miljoen Afrikanen over de Atlantische oceaan naar de Nieuwe Wereld getransporteerd (een half miljoen hiervan door handelslustige Nederlanders). Zo kon in subsahara Afrika de Angolese stad Luanda uitgroeien tot de grootste overslaghaven voor menselijke waar, waarvan veruit het grootste deel in Brazilië terecht kwam.

Dit verklaart waarom de Angolese en Braziliaanse muziek zo intiem met elkaar verbonden zijn. Onlangs verscheen een monumentale verzameldoos die deze cultuurhistorische verwantschap bewijst: vier cd’s plus boekwerk, in totaal honderd nummers uit de gouden tijd van de Angolese pop. In de jaren zestig en zeventig was de Angolese economie kerngezond, dus het nachtleven floreerde mee. Dat swingende elan hoor je terug in dit tableau de la troupe van geheel vergeten, dan wel in de Angolese burgeroorlog omgekomen helden.

Begin jaren zestig namen zoveel Angolese musici in Lissabon op dat de Portugese platenmaatschappij Valentim de Carvalho besloot om dan maar op lokatie een opnamestudio te beginnen. Door de onafhankelijkheidsoorlog moest dit bedrijf zijn werk staken en werd het netto bedrijfsresultaat naar Lissabon verscheept. Suzy Lorena, van Angolese origine, stelde uit dit archief dit verzamelalbum samen. Lorena: “De moederbanden hebben geluk gehad: ze werden opgeslagen in een warenhuis wat later toevallig de lokatie voor de nationale radio van Portugal zou worden. In Portugal begint men deze muziek nu pas te waarderen. Dit project kun je zien als een compres voor de diepe wonden die de koloniale tijd en de oorlog hebben geslagen in de Angolese cultuur.”

De verrassingen op deze box zijn ontelbaar en zetten samen alles wat je denkt te weten over Afrikaanse en Latijns-Amerikaanse muziek op zijn kop. Liefhebbers van westerse sixtiespop zullen daarbij versteld staan van de parelende, vintage klank van de elektrische gitaar in Angola. Ook blijkt er zoiets als Angolese merengue en zelfs fado te bestaan. Van opruiende, big bandachtige muziek met een onmiskenbaar Congolese invloed, tot uitermate weemoedige, boleroachtige muziek – Angola biedt een mer à boire van ontdekkingen. Zo boort Santos Junior (cd 4, nummer 4), wie kent hem niet, met het nummer Maria Rita nieuwe en voorheen onvermoede lagen in het menselijke vermogen tot melancholie aan.

Tegenwoordig danst men op kuduro, in Angola en in de hippere nachtclubs van Portugal. Frederic Galliano, een Franse producer-muzikant met een fijne neus voor eigentijdse Afrikaanse muziek, bracht onlangs een kuduroalbum uit: minimalistische, rauwe, maar buitengewoon aanstekelijke ghettomuziek. Lorena: “Kuduro ontstond vanaf 1995. Rappers in Angola voelden zich niet comfortabel met de Engelse taal en de ritmes van Amerikaanse hiphop. Aanvankelijk was kuduro underground, zoals baile funk (ghettomuziek) in Brazilië begon. Maar inmiddels is kuduro, net als baile funk, mainstream geworden: de bekendste kudurogoep Buraka Som Sistema gaf onlangs tijdens het Britse popfestival Glastonbury een concert.”

adviezen bekend, eerste reactie

Het lijkt me een zware taak: als commissielid beslissen over vierjarige plannen. In de praktijk gaat het vaak over het voortbestaan van instellingen, en niet zomaar een project waarbij de aanvrager het in een volgende ronde opnieuw kan proberen. Bovendien zijn alle budgetten enorm overvraagd, dus commissiewerk bij structurele aanvragen heeft wel iets weg van vragen aan een ouder wat het favoriete kind is – en de anderen mogen weg.

Gistermorgen en vandaag zijn de besluiten bekend gemaakt van het AFK in Amsterdam en het FPK in Den Haag. Na de vier grote stedelijke kunstnota’s en deze twee publicaties is nu bekend waar het meerjarige geld in de cultuur in de periode 2017-2020 naartoe zal gaan. Een eerste reactie.

In Amsterdam valt me op dat vier serieuze spelers in de jazz een 0 op het rekest krijgen: Stichting DOEK, ICP, Jazzfest en het Nederlands Jazz Archief. Nu neemt geen commissie zich natuurlijk a priori voor om nou eens een genre aan te pakken: dit is de optelsom van individuele beoordelingen. Maar als muziekliefhebber in Amsterdam is dit wel een zware dobber: ICP Orchestra is van internationale kwaliteit, onlangs nog zag ik in Nijmegen Koeien, de prachtige, en gunstig ontvangen opera van Misha Mengelberg.

Doek organiseert aan de rafelrand van de jazz en impro prachtige concertjes en een fijn jaarlijks festival. Jazzfest weet in Studio K. een jong publiek te trekken, dat vaak de weg naar het Bimhuis nog niet heeft gevonden. Het Nederlands Jazz Archief, snel opgestaan uit de as van het door Zijlstra opgeheven Muziek Centrum Nederland, heeft een internationaal toonaangevende collectie uit de nalatenschap van Michiel de Ruyter. Het Jazzarchief brengt een serie cd’s uit met schitterende opname uit de rijke geschiedenis van de jazz in Nederland.

Landelijk viel mijn oog op de nuladviezen bij het FPK voor o.a. Amersfoort Jazz, Stichting DOEK, Jazz in Motion, Jazz Orchestra of the Concertgebouw en Summer Jazz. Nationaal wordt ICP gelukkig nog wel erkend.

Als je de zoomlens iets verder vergroot naar avontuurlijke muziek, dan is het lijstje van instellingen die buiten de boot vallen even moedeloos: Cross-Linx, Mundial, Flamenco Biënnale, Gaudeamus, Incubate, Internationale Koorbiënnale, Marmoucha, Motel Mozaïque, Opera2Day, Podium Mozaïek en Welcome to the Village.

Niet alle afwijzingen bij het FPK komen overigens voort uit een slecht rapportcijfer. Veel aanvragers hebben een positieve beoordeling gekregen, maar vallen onder de zaaglijn, lees: er is te weinig budget om alle goedgekeurde aanvragen te honoreren. Een nuance waar je als aanvrager natuurlijk verder weinig aan hebt.

Positief is dat zowel het AFK als het FPK een substantieel deel van de toekenningen aan nieuwe aanvragers heeft toegewezen. In een fluïde en zeer tijdgebonden wereld als de culturele sector is dat een gunstig signaal, hoewel ik daarbij meteen het contrapunt bedenk: wat nu als je over bewezen artistieke, productionele en promotionele kwaliteiten beschikt, een mooi programma koppelt aan een gezond publieksbereik, maar desalniettemin toch onder de zaaglijn terecht bent gekomen? Doorstrompelen van projectaanvraag naar projectaanvraag?

Als ik om mij heen kijk werken zoveel vrienden en intimi in de culturele sector voor bedragen waar de vriendjes van Rutte niet eens de telefoon voor opnemen. En dat op de rand van het bestaansminimum, zonder arbeidsongeschiktheidsverzekering en pensioenopbouw. Een curieuze sector, die cultuur, maar wél een wereld die projectontwikkelaars maar al te graag als voorwaarde voor het oppimpen van wijken en huizenprijzen gebruiken.

Binnen de voor hen gestelde kaders hebben het AFK en het FPK zo op het oog prima werk verricht, en niet zozeer reputaties beoordeeld, wat vroeger nog wel eens het geval was, maar puur de kwaliteit van de plannen. De onderliggende vraag bij dit alles blijft wel waarom cultuur als beroep blijkbaar toch zo’n lage status heeft onder de Nederlandse politici en hun kiezers dat de middelen waarmee de fondsen het bos in worden gestuurd volstrekt ontoereikend zijn.

Onlangs zag ik Gerard Spong op televisie een militaire piloot belangstellend het hemd van het lijf vragen. Eén high-tech helm van een straaljager kost 300.000 euro. Daarvan kun je een cultuurcomplex minstens een jaar lang internationale podiumkunsten laten programmeren. De besteding van publiek geld is naast een zakelijke kwestie toch zeker ook behept met morele dimensies.

NB: aanvullende stukken: analyse van de Nederlandse Associatie voor Podiumkunsten en van het Cultureel Persbureau (achter betaalmuur). NPO 2 had onlangs een item over de besluitvorming bij het FPK in de commissie muziektheater. Die is hier terug te zien.