Kill your darlings

“Het werk zou de hele ochtend en een stuk van de middag in beslag nemen. Nadat ze het doek met zijn drieën over de vloer hadden uitgerold, had de schilder maar een paar minuten nodig om, wrijvend over zijn kin, zijn beslissing te nemen en vervolgens op een stukje manier een tekeningetje te krabbelen. Klusje van niks – dit weg, dat weg, wat overblijft kan er dan nog heel best mee door – het echte werk was de verminking. ‘Geef maar,’ zei hij tegen zijn vrouw en strekte zijn hand uit. Ze gaf hem het langste mes, dat het lichtste was. Hij zakte op de knieën, drukte zich tegen de muur onder de vensterbank en begon met een serie stevige halen het voorplein en de trappen weg te snijden. Dat hij daarbij zuchtte en steunde had niet zoveel te betekenen, dat had hij ook gedaan toen hij, geholpen door twee leerlingen, dat voorplein en die trappen op het doek aanbracht en je kon bijna verwachten dat hij ook nu weer, volgens zijn gewoonte onder het kwasten, poetsen en hakken, op gezette tijden zou mompelen: ‘heel goed, mijne heren, zo doe je dat!’ Toen hij opkeek om zijn zoon te beduiden maar aan de andere kant te beginnen zag hij dat de zoon al klaarstond, het zware korte mes in de hand, bungelend langs zijn been.
En zo gingen ook de zijden eraf, muren, bomen, een paar menselijke figuren, tot ten slotte, rond etenstijd, vader en zoon de hele bovenkant verwijderden, die met zijn ruimtelijke grandeur niet alleen de geest van dit ene doek had uitgeademd maar ook die van de doeken van een aantal andere zeer grote meesters – Leonardo, Titiaan, Rubens, Velázquez – want kunstwerken praten net als mensen onophoudelijk met elkaar en verstommen, net als mensen, nadat ze met een paar slagersmessen zijn bewerkt.”
Margriet de Moor, De schilder en het meisje, 2010.

films 2015

lily.jpg
Listmania: deze speelfilms bleven me bij in 2015. De opening van de prachtige Filmhallen plus een Cinevillekaart bleek een goede combinatie. Fijn ook: een theater waarin Hollywood flicks en arthouse, zowel nieuw als oud (leve de herstelde Parisienzaal!) onder één dak te zien zijn, hoewel ik me kan voorstellen dat arthouse bioscopen daar anders over denken. Ik las dat zeven Amsterdamse bioscopen bloeden vanwege het gigantische succes van de Filmhallen.

1. Birdman (Alejandro González Iñárritu)
Blinde ambitie en ademloze paranoia: in een visueel overrompelende stijl raak je verzeild in het claustrofobische gangenstelsel van het Broadwaytheater waar een ietwat verlopen Hollywoodster tracht om zichzelf artistiek opnieuw uit te vinden. De centrale dialoog tussen een New York Times theatercritica en de dramatische held vlamt van het doek en blijft smoren in je ziel. Waartoe dient de kunst?
2. Youth (Paolo Sorrentino)
Uitgekiende balans tussen een oogstrelende vormgeving en de twee acteerkanonnen Michael Caine en Harvey Keitel. Melancholie des levens, zachtjes ingemasseerd door Sorrentino die hier niet zo volkomen ontspoord als in La grande bellezza (2013) – geen overbodige non-verschijning alhier. Oude mannenpraat die even diep ontroerd als het evidente speelplezier van Caine en Keitel, in de strakke kaders van Sorrentino.
3. A girl walks home alone at night (Ana Lily Amirpour)
De verrassing van het jaar. Glorieus-grimmige zwartwitvertelling met oeroud gothic thema, getransponeerd naar een tijdloos, a-politiek Iran. De geluidloze verschijning van de hoofdrol heeft een iconische kracht die deze film vastberaden buiten camp regionen houdt. Die vampierverschijning bleef me bestoken in de weken nadat ik deze film zag. Dat vind ik misschien wel het mooist van de werkwijze van deze Iraanse, in L.A. werkende cineaste. Amirpour biedt een eindeloze opeenvolging van prachtige stills en laat zichzelf niet onnodig belemmeren door een overfocus op plot. Doet denken aan Jarmusch, minus de verouderende humor.
4. Slow West (John Maclean)
De western kun je blijkbaar ook op een niet-Tarantino-eske wijze reanimeren. Tragische jongeman strompelt regelrecht op zijn eigen ondergang af, gechaperonneerd door een oude ziel die alles al gezien heeft, maar zichzelf buiten de draaikolk van cynisme weet te houden.
5. Sicario (Denis Villeneuve)
De schier eindeloze creativiteit waarmee Mexicaanse druglords in hun oneidinge oorlog nieuwe vormen weten te geven aan sadisme is de stinkende achtergrond van deze coming of age van een jonge agente, die al snel volledig wordt opgeslokt door een krachtenspel dat niet in haar leerboeken stond.

Van The Paradise Suite en Birdman vond ik de soundtracks voorbeeldstellend. Het lijkt me enorm moeilijk om een dienende score te schrijven die de werking van de beelden versterkt maar toch een eigen identiteit heeft, en niet in elkaar zijgt als inwisselbare muzak.

een productlancering is heel het drama niet

Steve Jobs (Danny Boyle, 2015).
Waarom valt deze biopic over Steve Jobs me tegen? Of constructiever: wat had er beter gekund? Boyle’s versie van het leven van de Californische visionair kampt vooral met voorspelbaarheid. Voor het scenario is gekozen voor drie productlanceringen, de macintosh, de NeXT en de imac. Productlanceringen voldoen als brandstof voor een dramatische vertelling niet – ik druk me mild uit. Hoezeer een productlancering blijkbaar in Californië (hallo Hollywood!) ook wordt gepresenteerd als een dramatische, wereldveranderende breuk in de geschiedenis, het drama weigert invoelbaar te worden. Sterker nog: als deze representatie van de feiten rondom Jobs klopt was hij veel meer een briljante marketeer dan een technologisch visionair.
Jobs, vertolkt door een vakkundig ongenaakbaar acterende Michael Fassbender, leren we slechts kennen aan de oppervlakte, als een oceaanstomer op koers, met geen enkele interesse voor alledaagse bedenkingen of gevoelens die niet in een algoritme zijn uit te drukken. Alles staat in het teken van het nieuwe product, de volgende poging om het bedrijfsmatig te redden. Ex-vrouw en dochter zijn daaraan volstrekt ondergeschikt, en de wijze waarop Boyle Fassbender het familielicht laat zien aan het einde van de film – daarvan springt het glazuur van je tanden, zo slick en cliché-Hollywood.
Interessant voor een nerd als ondergetekende: waar ging de strijd technologisch gezien om? Jobs hield vast aan een gesloten systeem: hardware en software als gesloten circuits, waar een leek niets aan kan tweaken. PC-fabrikanten boden juist het tegenovergestelde: een systeem waar je zoveel aan kan hangen als de gebruiker zelf wil, en een systeem dat hard- en softwarematig helemaal te personaliseren valt zonder enige inbreng van de fabrikant. De reden waarom Jobs vasthield aan die idiote standaard wordt neergezet als een artistiek verhaal: Jobs zag – volgens Boyle – de computer als een kunstwerk, een orkestraal mechaniek waar maar één dirigentvisie op denkbaar is.
Dat is misschien wel mijn voornaamste ergernis bij deze speelfilm: Jobs krijgt aldus een vaag uitgewerkte artistieke signatuur, terwijl de talenten overduidelijk niet bij hem, maar in zijn niet-erkende team (en bij de concurrent: de visuele interface, hét kenmerk van apple, werd gestolen van xerox) aanwezig waren.
In zekere zin is deze biopic te beschouwen als een longread advertentie voor mac. De eindeloze dialogen, waarin thematisch gezien steeds meer herhalingen opdoemen, hadden zeker baat gehad bij een strenge eindredacteur. De fundamentele kwesties worden niet aangeboord: wat kan personal computer technologie betekenen? Wat is werkelijke innovatie in deze techsector? Zelfs een afgeleide vraag zoals: waarop is de voorsprong van mac bij creatieven gebaseerd? krijgt geen kans in deze wat al te florissante versie van het leven van Steve Jobs, visionair marketeer.