over muziekprogrammeren

Eerder deze week was ik bij het afscheid van Hans de Lange, die jarenlang bij de Rotterdamse concertzaal De Doelen de wereldmuziek programmeerde. Het was een licht melancholieke bijeenkomst, met fraaie muziek van de Kaapverdische zangeres Dina Medina en rake woorden door de directie. Ook de bewogen toespraak van De Lange trof doel. Hij zal overigens actief blijven, als percussionist bij de groep Rabasa en in zijn eigen opnamestudio. Uit De Lange’s afscheidsrede noteer ik drie zaken die me van belang lijken voor het vak van muziekprogrammeren en de toekomst van de Nederlandse concertzaal.

1. Sta als muziekprogrammeur zo dicht mogelijk bij de creatie. Let wel hoe groot het verschil is van alleen al dit facet met de huidige eis van overheden dat zalen zichzelf moeten bedruipen. Er is een cruciaal verschil tussen boeken en programmeren wat mij betreft. Iedereen kan Harry de Winter bellen voor zijn 40up disco’s – gegarandeerd volle bak. Een eighties verantwoorde disco met alternatieve hits uit de jaren tachtig kan altijd wel fungeren als noodlanding voor zalen die het ook niet meer weten, wederom: gegarandeerd volle bak. Maar programmeren houdt voor mij óók in dat je een uiterste poging doet om nieuwe muziek naar een nieuw publiek te brengen. Dat is heel andere business dan het doorboeken van succesvolle acts die via de Live Nation moloch tot ons komen.

2. Doe aan zelfkritiek, treedt buiten de oevers van je comfortzone als programmeur. Een persoonlijke observatie: veel vaderlandse programmeurs hebben een ego “in de wat grotere herenmaten” zoals wijlen Martin van Amerongen dat zo fraai wist te zeggen. De meeste programmeurs in Nederland zijn blank en mannelijk, en doen alsof ze hoogstpersoonlijk die geweldige artiesten naar hun zalen hebben gelokt. Maar een Prince kiest natuurlijk vooral zelf waar hij wil spelen. En ook de hoogtepunten van de underground worden maar al te vaak door dezelfde ‘leveranciers’ aangeleverd. Achter de schermen van het muziekbedrijf heb je movers and shakers, hypes worden eerder gemaakt (kleine voorspelling: Kamasi Washington wordt de volgende jazzhype na José James en Snarky Puppy. Overigens wel een ge-wel-dige 3CD en de on line filmpjes geven grond aan een vermoeden dat dit een terechte hype zal zijn) en heus niet, zoals de Romantische mythe wil, als goudklompjes in een drooggevallen rivierbedding ontdekt door een innerlijk gedreven muziekliefhebber-programmeur. Natuurlijk bestaat dat menstype wel (hoewel steeds zeldzamer wegens neoliberale cultuurpolitiek), maar er is ook een hele ordinaire, alledaagse kant aan de organisatie van livemuziek. Acts worden zalen en programmeurs vaak gegund, opportunisme en machtsmisbruik van de grootste aanbieders kan hierbij een enorme rol spelen.

3. Neem de tram. Geweldig punt van De Lange, want in de tram (of op de pont) zie je een dwarsdoorsnede van de stedelijke samenleving. Dit is je publiek!

Natuurlijk is er geen enkele reden voor cultuurpessimisme, hoewel nu ook de Doelen dus geen gespecialiseerd wereldmuziekprogrammeur in dienst heeft (zijn stoel wordt opgevolgd door een jazzprogrammeur en een journaliste). Wereldmuziek was het kind van de rekening in de door rancune, desinteresse en onkunde gemotiveerde Blitzkrieg van Rutte en diens hitman Zijlstra. Het Tropentheater, met een internationaal vermaarde muziekprogrammering, werd met een kille streep opgeheven. Overigens zonder massaal protest wat wel te denken geeft over het draagvlak van een dergelijke, gespecialiseerde zaal. Het Tilburgse festival Mundial nam (met enige ponteneur) afscheid van het woord “wereldmuziek” en programmeert nu meer dan ooit popmuziek (van soms niet-westerse) oorsprong. Melkweg en Paradiso vullen de functie van wereldmuziekprogrammeur niet eens meer in.

Vege tekens aan de wand, waarbij ik direct opmerk dat de vlag wereldmuziek misschien wel bijna uit elkaar valt van ellende, maar de muziek waarover het gaat toch echt springlevend is, en misschien zelfs wel nieuw en jong publiek heeft gevonden dat niets van die term moet hebben, maar wel degelijk van de muziek geniet. Jungle by Night maakte eindelijk een einde aan de dominantie van cliché zang/bas/gitaar/drums groepen en singer/songwriters uit de as New York – Londen. Typhoon mengt op een briljante manier Afro-Surinaamse invloeden en jazz in zijn muziek. Karsu mixt bossa nova met Turkse invloeden en laat Chopin kwinkeleren aan de Bosporus. DJ Munchi weerstond de Amerikaanse dollar amazone en blijft zijn eigen briljante ding doen, met een Dominicaans ritmische sensibiliteit. Naar verluidt heeft iedere Amerikaanse producer die ertoe doet het mobiele nummer van deze Dominicaan uit Rotterdam.

Kortom: geen reden voor paniek. Toch hoop ik dat ergens in dat machtige overheidsapparaat weer eens een notie ontstaat dat muziekprogrammeren een vak is, een ambacht dat met liefde en kennis moet worden uitgevoerd. Dit is geheel andere business dan de zaal vol krijgen met risicoloze hitboekingen. Dit ambacht veronderstelt het mogen lopen van risico. Immers: no pain, no gain.

NB: Robbert van Heuven signaleert een systeemcrisis in het vlakkevloercircuit. De parallel met het kleine concertzalen circuit is niet te missen.

Advertenties